Essay Sixpack
Harry W.H. Welters*
„Gott gab uns die Nüsse, aber aufknacken müssen wir sie selbst“
Vlot trekken wat vast zit: een sixpack voor de visionaire bestuurder
Considerans en inleiding
“De 21e eeuw: een tijdperk waarin het erom gaat je snel en flexibel aan te passen aan nieuwe uitdagingen in een steeds sneller veranderende wereld”. (Citaat uit de krant van 4 maart jl., naar aanleiding van de verkiezingen voor de Provinciale Staten). En inderdaad de nu al zeer voelbare en voortgaande ingrijpende verandering van de economische/ecologische/geopolitieke omgeving confronteert de bestuurders van ons land met een heuse paradigmashift: een, op straffe van disfunctioneren, in het oog te vatten nieuwe werkelijkheid. Verdere bijstelling, dan wel herziening van het beleid blijven daardoor ook op provinciaal niveau onontkoombaar. Zeker ook voor de Maastrichtse/Zuid-Limburgse samenleving die, gezien de geo-economische ligging van Zuid-Limburg in Nederland én in euregionaal Europa, in zekere zin een status aparte in Nederland inneemt. Waarom dit zo is en hoe met die situatie om te gaan wordt in het navolgende nader beargumenteerd. Daarbij komt met name het drieluik ‘perceptie, proces en projectie’ aan de orde. Perceptie: weten we waar we staan? Projectie: weten we waar we heen willen? En proces, hebben we er een beeld van hoe we daar het beste kunnen komen? De Euregio zou wel eens de ‘actus essendi’, dé stimulans voor het geven van een nieuwe betekenis aan onze Zuid-Limburgse toekomst kunnen zijn. Wereld op drift, Maastricht/Zuid-Limburg op koers? Die vraag leggen we bij deze aan u voor.
Na een vijftiental op de HWWL website geplaatste columns met analyses van de situatie waarin de wereld en Maastricht/Zuid-Limburg zich bevinden, werd het tijd voor een meer omvattende beschouwing over de uitdagingen waarmee met name Maastricht en Zuid-Limburg zich in de toekomst geconfronteerd zien. Hoe is deze beschouwing opgebouwd? In de vorm van een soort blauwdruk van de actuele economische situatie in Zuid-Limburg en van de daaruit voortvloeiende aanwijzingen voor aanpassing van - vooral - het overheidsbeleid. We gaan het meer specifiek hebben over: Maastricht tot dusver, Maastricht in Limburg, in Nederland en in Europa. Over de razendsnel en fundamenteel veranderende ‘nieuwe’ wereld, waarin we terecht gekomen zijn en over de steeds verder ‘verkavelende’ toekomst van die wereld. Op basis van deze analyse gaan we na hoe het instrumentarium voor doelmatig bestuur in deze situatie aangevuld zou kunnen worden: een sixpack voor visionair besturen: assertiviteit, visieontwikkeling en assetmanagement, connectiviteit, organiserend vermogen, innovatie en ontslakking. De lezer wordt gewaarschuwd: het is een ietwat lange uiteenzetting geworden, mede doordat het aangedragen actieprogramma nog al wat ‘technische’ aanbevelingen bevat, die - voor beter begrip - om uitleg/illustratie vragen.
Maastricht tot dusver.
Maastricht heeft een rijke historie, dat weten we. O.a. de website ‘Zicht op Maastricht’ brengt dat op een bewonderenswaardige manier over het voetlicht. En heel recent werd ons inzicht nog verrijkt met de publicatie ‘Maastricht Kennisstad’ (verschillende auteurs, redactie Eric van Royen). Maar kennis is heden ten dage net zo vloeibaar als geld. Beide zwerven ‘ongegeneerd’ de hele wereld over.
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- *Prof. Drs. H.W.H. Welters (1939, Maastricht). Na middelbare school aldaar, studie economie. Professionele loopbaan in de transportsector: van stafmedewerker bij NS tot hoogleraar Haveneconomie aan de Erasmus Universiteit. Maatschappelijke loopbaan: vanaf 1990 een dertigtal bestuursfuncties: van de SER tot de Deutsch-Niederländische Gesellschaft zu Aachen. Columnist en artikelenschrijver. Woont sinds voorjaar 2008 weer in Maastricht.
De vraag is derhalve gerechtvaardigd wat de kwalificatie kennisstad, die we ons zelf aanmeten, ons voor de toekomst kan brengen. Antwoord: veel of weinig; het is maar hoe je met die ‘kennis in de stad’ omgaat. Zeker is dat de rijke historie van de stad ons geen windeieren gelegd heeft bij het bestempelen van Maastricht tot cultuurstad. Maar zelfs hier past enige bescheidenheid; een ‘quantum leap’, met bijvoorbeeld de vestiging van een Guggenheim-dependance in Maastricht zit er vermoedelijk niet in. Daarentegen wel een stevige upgrade van dit cultuurgoed via de Culturele Hoofdstad-ambities. Maastricht: Cultuur-, Kennis- en Woonstad. Dat is wat we willen zijn. Niets bijzonders in feite, want iedere stad wil dat. Anderzijds, wanneer je deze ‘trilogie’ onderscheidende inhoud wilt geven, dan is daar heel wat voor nodig.
Maastricht heeft het de laatste decennia goed gedaan. De komst van de Universiteit Maastricht (inclusief annexinstituten en -activiteiten) en laatstelijk nog het United World College, de zorgvuldige upgrading van de binnenstad (autovrij centrum, hergebruik kerken, herinrichting Maasboulevard, Stokstraat-, Jekerkwartier, de Spil-/Helmstraat-traverse, de herinrichting van het Céramique-gebied, enz.). Daarnaast heeft de stad een enorme reputatiewinst geboekt met het EU-Verdrag van Maastricht in 1992, met de TEFAF en met godsgeschenk Rieu. (En in connotatie met dat laatste: medio 2011 vindt er weer de 7-jaarlijkse Heiligdomsvaart plaats, onder het - ook voor deze beschouwing - toepasselijke, motto: Ad lucem: Het Licht Tegemoet). Goed gedaan/gelukt dus de recente Maastrichtse geschiedenis, maar biedt dit garanties voor een mooie toekomst voor de stad/regio? Eigenlijk niet, want er is ook een aantal zaken duidelijk niet gelukt. De universiteit wordt overwegend bevolkt met tijdelijke bewoners, die na hun afstuderen naar elders verdwijnen. Blijkens een recente studie (Hoger opgeleiden in Nederland: brain drain of brain gain?) blijkt die trend mogelijk niet zo dramatisch als vermoed, maar toch. De stad heeft zich te weinig kunnen profileren in de dienstverleningseconomie en als broedplaats voor de door iedere stad zo begeerde creative class-generatie. Maastricht is in de transitie van industriestad naar dienstverleningsstad als het ware in de classificatie toeristenstad blijven steken. Zuid-Limburg ligt midden in de Euregio Rijn-Maas, maar het is daarvan eerder het charmante dan het kloppende hart. Voor dat laatste zal Zuid-Limburg aan de slag moeten. Daarbij is extra ‘bloedtoevoer’ vanuit de nabuurregio’s zeer gewenst. De redenen voor deze ‘animatie’ zullen overtuigend uitgevent moeten worden, want speelt in Maastricht/Zuid-Limburg niet het fenomeen van de ‘burden of success’? Waarom zouden we meer willen; het gaat door het toerisme toch zo goed?
Maastricht en Zuid-Limburg in Nederland, in Limburg zelf, in Europa en in de wereld.
In Nederland speelt 70 tot 80% van de economische activiteit zich op ongeveer 40% van het grondgebied af. In een soort hoefijzer-context. Dit gebied bestaat uit de mainports Amsterdam en Rotterdam en de van daaruit naar het achterland lopende corridors. Binnen dit gebied ligt de Europese superregio De Randstad en doet bijv. ook de corridorprovincie Noord-Brabant volop mee, de regio Eindhoven voorop. Europa kent een aantal superregio’s, o.a. Barcelona, Milaan, München, de Vlaamse Ruit, vanouds Londen en Parijs en de Randstad dus en daarnaast een héle hoop ‘regio-(tje)s’. Waaronder Zuid-Limburg, 600.000 inwoners, ongeveer even veel als de stad Essen in Duitsland. Door zijn ligging buiten het hiervoor geduide economische hoefijzer hoort Zuid-Limburg, economisch gezien, niet echt ergens bij. Het is min of meer op zichzelf aangewezen. We schrijven hier Zuid-Limburg omdat de situatie voor Noord-Limburg zich anders presenteert. Venlo en omstreken liften mee met de Noord-Brabantse corridordynamiek. O.a. Green-/Fresh- en Distributieport zijn er de exponenten van. Ergo: economisch Limburg bestaat uit drie delen: Noord-, Midden- en Zuid-Limburg en voor ieder daarvan bestaat een eigen typische economische motoriek. De conclusie moet zijn dat de rest van Nederland en met name de Randstad voor Zuid-Limburg in economisch opzicht ver weg zijn. Compensatie voor die omstandigheid is, in potentie, evenwel volop aanwezig.
Bij het nader uitlichten van de Zuid-Limburgse geografie wordt dat al snel duidelijk. Dan blijkt dat Zuid-Limburg ‘midden in Europa’ ligt. Met Nederland is er nog geen 10 km gemeenschappelijke grens; de rest van de Zuid-Limburgse omtrek grenst aan de buurlanden. Ca. 4 miljoen inwoners in de (on)middellijke nabijheid, alsook aanlokkelijke steden als Luik, Aken en Hasselt/Genk. Zo ook 5 universiteiten, inclusief de Open Universiteit in Heerlen. En Düsseldorf, Köln, Eindhoven en Brussel niet al te ver weg. Uit dit alles moeten, optimistisch gezien, agglomeratievoordelen te halen zijn. (Agglomeratievoordelen: de aanwezigheid van omvang in de inwoneraantallen en dus van marktpotentieel, dito van een volwassen arbeids- en scholingsmarkt, de nabijheid van toeleveranciers en klanten, van wijd open staande aan- en afvoerlijnen en de aanwezigheid van en toegang tot specifieke kennis).
En dan blijkt er een probleem te zijn. Verbindende elementen, zoals zich die in de Nederlandse hoefijzereconomie-situatie manifesteren - zie hiervoor - zijn, in ieder geval op het eerste gezicht, niet aanwezig. Hier speelt eerder een ‘ieder voor zich’ verhaal. Waarbij zowel Luik, redelijk, als Aken, zeer, succesvol blijken. Luik ontwikkelt zich tot een moderne knooppuntstad (Bierset, Guillemins, Trilogiport) en Aken floreert als wetenschap- en industriestad. Aken, ‘een paar kilometer verderop’: in de laatste 20 jaar, + 16% inwoners en sinds 1975 ‘im technischen Bereich’ 1.410 nieuwe bedrijven’, waarvan alleen al sinds 2005 544 Neugründungen. Alles bij elkaar ca. 32.000 werkplekken. Met daarbij overigens een dominante positie voor het klein- en middenbedrijf en weinig echt grote bedrijven, hetgeen de plaatselijke economie minder kwetsbaar maakt voor bedrijfssluitingen en -overplaatsingen. Vergelijk dit met de discussie over het voortbestaan van Nedcar. De maakindustrie is in heel Duitsland overigens meer dan ooit een economiemotor van belang. Als referentie voor meer daadkracht zijn evenzeer interessant het collectieve actieprogramma dat de steden in het Ruhrgebiet wisten te ontwikkelen voor Ruhr 2010, Kulturelle Hauptstad en de plannen die hier eerder - zie Ruhrkraft: Eine Region auf dem Weg zur Weltspitze (2008) - voor een gezamenlijke ‘Neuentwicklung’ voor het ‘Ruhrgebiet’ zijn opgesteld. De onontkoombare conclusie van deze situatieomschrijving is dat Zuid-Limburg zich in de haar gegunde Europese omgeving zal moeten invechten en dat dit gemakkelijker zal zijn wanneer, à la Ruhrkraft, hiervoor brede animo en begrip bij de potentiële (eu)regionale partners aanwezig is. Voor Zuid-Limburg wordt actieve zelfredzaamheid de kernnotie. De vraag daarbij is of het gebied waarin we leven door intensieve samenwerking over de grenzen heen ook een Europese superregio kan worden of dat dit ‘door omstandigheden’ een ver verwijderde droom blijft? Wat zijn die omstandigheden dan opdat we - door daaraan te sleutelen - op zijn minst aanmoedigende partiële voortgang kunnen boeken? Tijd voor introspectief onderzoek. ‘Zuid-Limburg allein’ is té klein.
Zonder twijfel zal het met meer Euregio-volume gemakkelijker worden om de ontwikkelingen op mondiaal niveau bij te benen, ontwikkelingen die magisch indrukwekkend zijn. De aanhangers van de zogenaamde heliotropische gedachte lijken gelijk te krijgen. (Heliotropische gedachte = translatio imperii: de economische, culturele en militaire macht in de wereld ontwikkelde zich met de loop van de zon mee: wat ooit in het Oosten/China is begonnen en zich via Mesopotamië/Griekenland/Romeinse Rijk/ Spanje/Portugal/Nederland/Engeland naar de Verenigde Staten verplaatste, eindigt weer in China). Na de agrarische en industriële revolutie maken we nu de instrumentele revolutie mee: containers, computers, XXL-schepen en vliegtuigen, HSL-treinverbindingen, pijpleiding- en satellietsystemen, enz. Tijd en afstand gelden nauwelijks meer, waardoor de wereld de fase van de ultieme globalisering is binnengetreden. We roepen even een beeld op. Van de 20 grootste containerhavens in de wereld liggen er 3 in Europa: Rotterdam, Antwerpen en Hamburg. In 2010 samen goed voor 27,5 miljoen overgeslagen TEU’s (twenty-foot equivalent unit). China telt 9 van de grootste 20 containerhavens: samen goed voor 134 miljoen overgeslagen TEU’s, waarvan in Sjanghai - sinds vorig jaar de grootste containerhaven in de wereld - alleen al 29 miljoen.
Een verder ‘verkavelende’ toekomst.
Niet alleen voor Maastricht/Zuid-Limburg, maar ook voor een effectieve samenwerking binnen de Euregio is het nodig dat Maastricht/Zuid-Limburg en de rest van de Euregio zich bekwamen in de omgang met die ‘nieuwe’ wereld. Geen gemakkelijke opgave omdat de wereld een sterk ‘verkavelende’ toekomst tegemoet gaat en bovendien steeds meer de kenmerken aanneemt van een ‘nomadensamenleving’ waarbij alles en iedereen altijd onderweg is.
Hoe lang is het geleden dat oud-president Clinton met zijn uitspraak ”It is the economy, stupid’ de hele wereld zo ongeveer wist te overtuigen van het belang van economische groei. Ook vandaag kunnen we die groei niet missen, al was het - cynisch/realistisch geformuleerd - alleen maar om het sociale zekerheidsstelsel en de kosten voor milieubehoud te kunnen financieren. De echte realiteit is veel banaler: iedereen wil groeien, want wanneer je daaraan niet mee doet, word je in deze wereld in de kortste keren vermorzeld. Economisch gezien maken we de globalisering van de productie en de consumptie mee, alsook de ‘vernetwerking’ en ‘verinstrumentalisering’ (computers, containers, enz.) van die economie. De immateriële economie (dienstverlening) verwerft een steeds groter aandeel in het economische gebeuren. De traditionele kapitalistisch/socialistisch blokvorming werd vervangen door regionale samenwerkingsverbanden, waaronder de EU, NAFTA en de ASEAN. De economieën van de zogenaamde Asian tigers- en BRIC-landen maken een enorme expansie door. Het Midden-Oosten onderscheidt zich negatief door de ‘non-economieën’ in die regio: wel olie, maar geen patenten en octrooien, weinig wetenschappelijke invloed, quasi-afwezigheid van maakindustrie in de exportsector, enz. Ook blijft daar en elders de tegenstelling tussen arm en rijk in de wereld onrustbarend: 2% van de wereldbevolking, 140 miljoen (super)rijke mensen, delen ca. 50% van het wereldinkomen, de overige 6.860 miljoen mensen de andere helft!
Naast economische ontwikkelingen lijken evenwel nieuwe aandachtsvelden de toekomst te gaan domineren: in demografische, technologische, ecologische en (geo-)politieke zin. De wereldbevolking groeit met bijna zo’n 100 miljoen zielen per jaar: dit jaar nog gaan we over de 7 miljard-grens heen. India heeft in 2050 met 1,6 miljard mensen meer inwoners dan China (naar verwachting 1,4 miljard). Vergroening hier, vergrijzing daar, al naar gelang de regio die in het oog gevat wordt. In Europa regeert de komende decennia de vergrijzing. Bij de technologie staan we voor een verdere spectaculaire miniaturisering, o.a. via de nanotechnologie, alsmede voor de opmars van de life-sciences (gentechnologie, enz.) Mede vanwege de zich aandienende grondstoffenschaarste en duurzaamheidsperikelen gaat o.a. de energievoorziening op de schop. Opties: windenergie, terugkeer naar de kernenergie; hydricity (waterstofelektriciteit) en de brandstofcel. ‘Ocean farming’ komt er vermoedelijk aan als toekomstige bron van voedsel. De ecologische samenleving wordt beheerst door zaken als (toekomstige) grondstoffenschaarste, het streven naar biodiversiteit, (natuur, water en landschap naast wonen en werken), de nagestreefde dubbeldoelstelling voor meer economie en minder milieubelasting, wereldwijde allianties voor behoud van natuur en milieu, het streven naar dematerialisatie van de productie en van de energieopwekking (minder materiaal- en grondstoffengebruik, transportpreventie), duurzaam en meervoudig ruimtegebruik, enz. In de politieke en sociaal-economische arena spelen er de ‘meeregeerdrift’ van de NGO’s (non-gouvernementele organisaties) en SIG’s (social interest groups), de overlegeconomie, de toenemende macht van de toezichthouders (NMa, OPTA, AFM, enz.) en van de adviesorganen (CPB, CSP en vele andere gelegenheidsadviesorganen) en het maar niet echt transparant wordende overheidsbeleid: per ministerie, lokale, nationale en supranationale overheid en overheidsdochters. Die overheid dreigt klem te raken tussen een steeds moeilijker te managen ecologisch/economisch/maatschappelijke omgeving en de burger die calculeert, individualiseert, seculariseert en digitaliseert. (En die er niet zelden onbekommerd/onnozel/onbeholpen/onbeschoft een maatschappelijk rommeltje van maakt).
Kennelijk hebben de veranderingen in de wereld inspirerend gewerkt op een nieuwe generatie schrijvers en denkers. Alvin en Heidi Tofler bleven met hun The Future Shock van de beginjaren zeventig van de vorige eeuw niet lang alleen. Een ellenlange lijst van auteurs met aandacht voor de meest uiteenlopende onderwerpen volgde, alles tezamen een imposante opsomming van profetieën, paradoxen, mythes en typologieën over de hedendaagse en toekomstige samenleving. We pikken er een tweetal auteurs uit: Jean François Rischard met de wereld als analysedoel en Richard Florida met de in die wereld levende mens als focus. In ‘20 Wereldproblemen, 20 jaar om ze op te lossen’ categoriseert Rischard de problemen in de wereld in een drietal onderdelen: De gevaren die de planeet loopt: opwarming van de aarde, teruglopen biodiversiteit, uitputting visgronden, watertekorten, ontbossing, preventie natuurrampen, enz. De kwaliteit van het menselijk leven op die planeet: bestrijding armoede, onderwijs voor allen, digitale scheidslijn voorkomen, besmettelijke ziektes tegengaan, bestrijding drugsgebruik, enz. en tenslotte de regelgeving voor het onderhouden van veelsoortige vormen van ‘verkeer’ in die wereld: financiële architectuur, regels biotechnologie, elektronisch handelsverkeer, intellectuele eigendom, internationale arbeid en migratie, enz. De analyse van Rischard brengt de deficiënties van ons (mondiale) bestuurssysteem helder aan het licht. Rischard spreekt in dit verband van een ‘governance gap’: een tekort aan bestuurlijke kracht om de zich aandienende problemen daadkrachtig tegemoet te kunnen treden.
De Amerikaanse wetenschapper Richard Florida neemt, zoals gezegd, het menselijk bestaan in die wereld op de korrel. Hij stelt vast dat er in de eerste 50 jaar van de vorige eeuw vooral sprake was van een technologische revolutie, mogelijk gemaakt door de ontdekking van nieuwe energiebronnen, de verbrandingsmotor (auto’s, schepen, vliegtuigen) en de popularisering van (nieuwe) communicatiemiddelen als de telefoon, telex, radio en film. Maar de mens bleef - om het in een paar zinnen samen te vatten - gewoon overdag werken en de rolverdeling in het gezin bleef ongeveer wat hij was. In de analyse van Florida is in de laatste 50 jaar van de vorige eeuw juist de mens ‘geraakt’ en ging de sociaal-maatschappelijke omgeving waarin hij leefde overhoop en daarmee zijn belevingswereld en leefpatroon. De gemiddelde mens verhuist op dit moment zo’n 7 maal in zijn leven en de baan voor het leven bestaat niet meer, om maar enkele voorbeelden te noemen. Nog geen halve eeuw geleden was dat ondenkbaar. Inmiddels slaat ook de ‘techniek’ weer toe. De opkomst van internet en o.a. de daaraan gelieerde sociale mediahype zorgen voor behoorlijk wat nieuwe omgevingsturbulentie.
Een sixpack voor de visionaire bestuurder.
Daar sta je dan als bestuurder van Maastricht, van een dorp/stad(je) in de omgeving of in het provinciehuis. Hoe ga je met al deze nieuwtijdse convergentie om? Door je niet gek te laten maken in de eerste plaats. In een wereld als hiervoor omschreven moeten de Maastrichtse en regionale bestuurders niet de ambitie hebben om alles zelf opnieuw te willen uitvinden of bij de adoptie van vernieuwingen steeds voorop te willen lopen. Veel van hetgeen in de toekomst nog uitgevonden wordt, zal ook Maastricht en deze regio gewoon blijven overkomen. Maar wanneer de eigen ‘core business’ in het geding raakt, zullen we in beweging moeten komen. Bestuurders zullen er in een continu proces op uit moeten zijn ‘ordening’ aan te brengen in alles wat op hen afkomt, om daaraan conclusies te verbinden en handvatten te ontlenen voor een succesvol beleid. Een kwestie van je eigen handigheid organiseren in de omgang met die wereld. Ingewikkeld, maar niets bijzonders; iedere geoefende ondernemer doet het, de multinationals vanzelfsprekend voorop. Volgende aanbevelingen helpen hopelijk de omgang van bestuurders ‘met de wereld’ inzichtelijker te maken. Waar het tot nu toe vooral ging over het aan de orde stellen van de strenghts/sterke punten, weaknesses/zwakke punten en threats/bedreigingen in het Zuid-Limburgse (economische) landschap betreden we daarmee ook het veld van de opportunities/kansen (swot-analysis).
1.Het opstellen van een assertiviteitsagenda.
Hoe assertief zijn we in Maastricht/Zuid-Limburg? Vrij vertaald: hebben we in Maastricht/Zuid-Limburg in de gaten waar we staan (onze plek op de assertiviteitsindex), wat ons te doen staat en welke (potentiële) troeven we daar bij in handen hebben (onze assertiviteitsagenda)? Assertiviteit biedt in feite de noodzakelijke entree naar het opstellen van een actieprogramma. Immers wanneer je in staat bent om in te voelen en te wegen hoe je ervoor staat, volgt daaruit ook de mogelijkheid/ingang voor het opstellen van een maatregelencatalogus. Enkele voorbeelden ter verheldering: beseffen we dat Maastricht en Zuid-Limburg zich economisch in een snel veranderende wereld zullen moeten invechten -zie de analyse hiervoor- of hebben we dat niet door en veronderstellen we dat alles best wel goed gaat. Toute la différence est là. En vervolgens, wanneer dat invechten als noodzaak geaccepteerd wordt, hoe doen we dat dan en met welke ‘partners in business’? Tweede voorbeeld: zijn we op de toekomst geprepareerd: met hoeveel benen staan we in die toekomst? Met twee, een of hooguit een half been?
Doorschakelen naar een nieuwe wereld.
Door het ontwikkelen van Nederland tot een geavanceerde knooppunteconomie - zie boek Auke van der Woud: het Ontstaan van het moderne Nederland - en tegenwoordig het in exploitatie nemen van de Betuwelijn/HSL en de Tweede Maasvlakte geven we op nationaal niveau te kennen dat het uitbouwen van die knooppuntpositie een permanente inspanning vergt. In Brainport Eindhoven wisten/weten ze, op basis van het onderliggende Philips- en DAFtrucks-verleden en heden, evenzeer effectief met het assertiviteitsverhaal om te gaan. Het meest aansprekende voorbeeld van assertief gedrag is waarschijnlijk de ommezwaai van de Chinese oud-premier Deng Xiaoping, die in de 70-tiger jaren van de vorige eeuw China op het spoor van de mondiale markteconomie zette. Het resultaat van die ommezwaai kennen we. De Duitsers blijken er ook wat van te kunnen. Met het verdwijnen van de fotoapparatuurindustrie naar Japan in diezelfde zeventiger jaren kregen ze toen al in de gaten dat ze anders met de global world moesten omgaan. Vandaag de dag zijn ze ‘Weltmeister Export’ met een geweldige positie in de productie van kapitaalgoederen- en in de machinebouwindustrie en natuurlijk ook in de auto-industrie. China en Duitsland scoren hoog op de assertiviteitsindex, maar wellicht is de assertiviteit van de Duitsers nog indrukwekkender dan die van de Chinezen. De Duitsers hadden zich immers gemakkelijk in slaap kunnen laten sussen, terwijl de Chinezen door Mao Zedong naar een punt gevoerd waren, waar ze wel iets moesten ondernemen. Voor Maastricht/Zuid-Limburg geldt eigenlijk zowel het een als het ander; we moeten wel en we moeten ook een beetje wakker worden.
Reputatiemanagement.
Ander aspect: realiseren we ons hoe anderen over ons denken en naar ons kijken? Wat is de perceptie van ‘de Hollanders’ en van onze directe Europese buren over onze manier van leven, acteren en reageren. Vinden ze ons navelstaarders of ‘world class home-adepten’, die open de wereld inkijken en gastvrijheid uitstralen. Dat is een serieus punt. Omdat bijvoorbeeld brandingacties in de media, zoals ‘the bright site of life’, een ondergrond aan geloofwaardigheid behoeven willen ze werkzaam kunnen zijn. Assertiviteit veronderstelt dus ook het ontwikkelen van ‘voice’, nadrukkelijk van je laten horen én het in de weer gaan met het managen van je reputatie. In de steeds verder mondialiserende economie is de reputatie van een land of regio sowieso hard op weg zich tot een vestigingsfactor van belang te ontwikkelen. Nederland kan het weten, van de ‘Dutch disease’ in de zestiger/zeventiger jaren, landden we - via het poldermodel - aan bij het ‘Dutch miracle’. Een metafoor die van onschatbare waarde bleek voor de bloei van de Nederlandse economie in de negentiger jaren. Andersom, wanneer je als buitenlandse onderneming in een nomadeneconomie, die de wereldeconomie steeds meer wordt, ergens zaken wilt doen, waarom dan niet in een land dat zijn zaakjes op orde heeft? Kijk naar het op dit punt in het Verre Oosten uiterst succesvolle Singapore. Jammer dus dat Nederland qua reputatie sindsdien op een aantal punten behoorlijk is uitgegleden. Als referentie voor de aansporing dat Limburg aan zijn reputatie dient te werken is bovenstaande ‘korte vaderlandse geschiedenis’ evenwel leerzaam.
Laat het in deze context op te starten actieprogramma zich nog enigszins logisch indelen? Jawel in het navolgende gaan we het hebben over de ‘tools’: visieontwikkeling en assetmanagement, organiserend vermogen, ‘(new) connectivity’, innovatie en ‘ontslakking’. Tezamen met de assertiviteitsagenda vormen deze maatregelen het sixpack voor de bestuurders waarvan in de titel sprake is.
2.Visieontwikkeling en assetmanagement.
Niemand wil op weg naar nergens. Maar op weg naar ergens moet regelmatig voorgesorteerd worden. Het bij de hand hebben van een visie als navigatiesysteem is daarbij erg handig. Maar, het in elkaar sleutelen van een aansprekende visie is monnikenwerk, het vergt veel tijd en inzet, heel veel communicatie en vooral veel inzicht. Zo’n visie is niet alleen wenselijk omdat ze de richting voor verandering duidt, maar ook omdat ze het nemen van beslissingen verantwoordt en vooral ook omdat ze sterk bindend werkt voor de actie die vanuit verschillende invalshoeken door verschillende actoren genomen moet worden. “Zonder visie verwildert de natie” herinneren we ons een aansprekende typering.
Meer Europa en een beetje snel a.u.b.
Door de eerder geduide bijzondere situatie, waarin Zuid-Limburg zich zowel in Nederland als in Europa gesitueerd ziet, komt iedere voor dit deel van ons land te ontwikkelen visie onvermijdelijk bij de ‘optie’ voor meer Europa uit. De substantie daarvoor - aantal inwoners, economische footprint, onderwijsinstituten, infrastructuur - is aanwezig. De EU in Brussel toont een grote (programmatische) inzet op het ontwikkelen van de talrijke in Europa voorkomende Euregionale zones, o.a. via ESPON, Interreg-programma’s en de in 2009 aangestelde grensmakelaar (Taskforce Grensoverschrijdende Samenwerking, GROS). Alleen al in Nederland zijn er een half dozijn Euregionale organisaties actief: van de Euregio Wadden tot die van de Euregio Rijn-Maas hier in het Zuiden. Wat zou er mis zijn met de ambitie om onze regio tot Europese pilotregio te maken voor sneller en meer resultaat. Waarom is een dergelijke status verdedigbaar en nastrevenswaardig? Omdat het in ons geval om veel meer internationaliteit gaat (Frans, Duits en Nederlands) dan in nagenoeg, Europabreed gezien, alle andere Euregio’s. Dat in de eerst plaats, maar in de tweede plaats omdat, daar waar internationale cohesie ook het meest van belang is, in onze regio dus, er toch sprake blijkt van het uitblijven van baanbrekend resultaat. Begrijpelijk, want het gaat hier om een uiterst lastig ‘om te spitten’ werkveld: het oproepen van een gemeenschappelijk Europagevoel, het afstemmen op elkaar van heel diverse nationale regelgevingen, enz. Compliment dus aan degenen die hier ieder jaar weer met een gevuld programma de aandacht ‘voor meer Euregio’ levend weten te houden. Desalniettemin dringt zich, in relatie met ontwikkelingsdynamiek om ons heen, de noodzaak van resultaatversnelling op. Het liefst dus via een status aparte voor deze regio. De provincie heeft met haar nota ‘Limburg Experimenteerregio’ van November 2009 hierop al enigszins ingezet. Limburg moet in dit domein de ambitie hebben om de nationale overheid aan te sturen en niet omgekeerd. We kunnen immers, bottom-up, het beste zelf bepalen wat goed is voor de ontwikkeling van deze Euregio. Voor de nationale overheid is het tot verdere bloei brengen van de ‘uiteinden’ van Nederland sowieso een nationale plicht; sneller resultaat door zelfactieve regio’s ontlast hier dus de nationale overheid. Op de een of andere manier ontsnapt evenwel ook Den Haag nog te veel aan haar opdracht voor het tot stand brengen van meer euregionale cohesie en die ontsnappingsroute moet nu echt een keer worden afgesloten. Voor het op één denk- en doelijn brengen van betrokkenen in deze zal nog heel wat ‘consensus-engineering’ nodig zijn. Een klus van jewelste, maar is er voor de toekomst van Zuid-Limburg, op doormodderen na, een alternatief?
Het PEBA-label: promising extended business area.
Daarenboven moet Zuid-Limburg de ambitie hebben deel te gaan uitmaken van een aantrekkelijke PEBA, van een Promising Extended (= grensoverschrijdende/euregionale) Business Area. Een plek op deze aarde dus die streeft naar een forse opschaling van de kwaliteit van haar vestigingsklimaat. Waaruit bestaat het materiaal, de ‘assets’, die ten behoeve van een beter vestigingsklimaat zoal ‘gemanaged’ moeten worden? Uit een zich in vele accenten uitende aantrekkelijke ruimtelijke kwaliteit en cultuurhistorie, uit een rijke variatie aan deels gerenommeerde onderwijsinstituten, uit de aanwezigheid van oude competenties (industrieregio) van de beroepsbevolking, uit een bovennormale (potentiële) leefkwaliteit door ‘close-internationality’ en dichtheid van verpozingsfaciliteiten en uit de relatieve nabijheid van supersteden als Keulen, Düsseldorf, Brussel en Eindhoven. Maar ook uit de aanwezigheid van een goede bereikbaarheid, die voor het onderlinge verkeer en specifiek voor de stad Maastricht (met Luik als voorbeeld) nog verbetering behoeft. Daar wordt (deels) aan gewerkt: onder meer via de ondertunneling van de A2, maar zie ook het Mobiliteitspakket Maastricht-Noord van november 2010.
Waarom is articulatie van de assets waarover we beschikken zo belangrijk? Omdat die, goed uitgespeeld, het broodnodige (zelf)vertrouwen moet oproepen in de ontwikkelingsmogelijkheden voor de toekomst van de regio. Daarmee krijgt tevens de Commissie Deetman, met zijn aanvechtbare aanbevelingen voor de omgang met de krimpsituatie in Limburg, lik op stuk.
3.‘(New) connectivity’: aansluiting zoeken.
Door ervoor te zorgen dat er zoiets als communautaire betrokkenheid (community spirit) ontstaat. Ook die komt er niet vanzelf, maar moet georganiseerd worden. Door ervoor te zorgen dat men beter op elkaar (en op de wereld) aangesloten raakt en door het daarmee opgeroepen gevoel deelbaar te maken voor betrokkenen. Dat aansluiten kent verschillende verschijningsvormen: fysiek, mentaal, juridisch en organisatorisch. Bovendien is er sprake van veel aansluitmassa: de Zuid-Limburgers onder elkaar, Zuid-Limburg met de rest van Limburg, met Nederland, met de EU (Brussel) en met de ‘grote’ wereld. Een recent citaat van minister Verhagen: “We leven in Limburg in een halve cirkel. Zonder de grens zouden we meer welvaart hebben. We moeten dus over de grens kijken”. ‘Over de grens kijken’, dat is in het kader van hetgeen Verhagen verkondigt een halve maatregel. Het in economische zin betekenisloos maken van die grenzen (‘uitgummen’) levert met zekerheid een veel hoger rendement op. Maar laten we eerst maar eens kijken of we de Zuid-Limburgers ten opzichte van elkaar een meer connectief gedrag en meer Euregionale gedrevenheid aangemeten krijgen.
Mestreechter Geis koesteren en oppoetsen.
Een kwestie van aanpassing van de ´mental map´ van de Maastrichtenaren, inclusief de herdefiniëring van de Mestreechter Geis, die dan niet een soort afweermechanisme is tegen niet Maastrichtenaren, maar een gastvrije uitnodiging wordt aan de rest van de wereld om kennis te komen maken met de stad en haar inwoners, of beter nog om deelgenoot van die stad te worden. Je kunt niet zeggen dat er geen gelegenheid voor oefening geweest is. Herbergen we intussen niet zo’n 15.000 UM-studenten en ontvangen we niet jaarlijks miljoenen gasten in de regio? De Mestreechter Geis: potentiële verleider of hindernis, that’s the question! Maar hoeveel Maastrichtenaren zijn zich echt bewust van dit ‘dilemma’? Dat is de ene kant van het verhaal; het omturnen van de Maastrichtenaren tot Europeaan de andere. Hier gaat het voor de Zuid-Limburgers meer om het zichzelf actief aanmelden bij de buren dan om het ontvangen van gasten. Maar Limburgers lijken zich nauwelijks Europeanen te voelen, terwijl ze het, meer dan welke Nederlander dan ook, in feite wel zijn. Anno 2011 en met de toekomst voor de boeg is dat eenvoudigweg niet goed genoeg. Controlevraag: is er één politieke partij in Limburg die dit punt op zijn agenda heeft staan? Zijn we in de laatste decennia in Limburg nu meer of minder Europeaan geworden? Frans en Duits hebben we zo ongeveer de deur uitgedaan en daarbij de Engelse taal als een soort vluchtroute gebruikt. Zwitsers, die 4-talen ‘tot zich nemen’, zijn we nog lang niet. Duits en Frans moeten in deze context zo snel mogelijk opnieuw als verplichte leerstof in het voortgezet onderwijs opgenomen worden. Niet omdat dat morgen al iets oplevert, maar omdat het een niet mis te verstaan signaal is aan de Europese partners en aan de eigen bevolking. Het zal problemen geven -waar halen we de leerkrachten vandaan?- en bedenkingen regenen, maar toch maar gewoon doen: daad- en stuwkracht, naast connectivity.
Zuid-Limburg laboratorium.
Aansluitend moet dan nog de ‘Verenigde Euregionale Republiek’ opgericht worden, niet letterlijk natuurlijk, maar meer als platform voor gezamenlijk beleid en actie. 35 jaar activiteit in het euregionale domein heeft, stelden we vast, te weinig resultaat opgeleverd en dus moet het roer om. We grijpen ook hier terug naar hetgeen hiervoor over het project Limburg Experimenteerregio is gezegd. Maastricht-Zuid/Limburg moet deel gaan uitmaken van een soort Euregionaal laboratorium waar het bevorderen van progressie in de Euregionale samenwerking permanent op de onderzoekstafel ligt. Clustering en co-siting van activiteiten in domeinen als de aanmaak van toekomstwijzende nieuwe producten, de wetenschap en het cultuurgoed en het benutten van agglomeratievoordelen zijn daarbij ‘technieken’ die het ´sublimeren´van het vestigingsklimaat in de Euregio verder ten dienste kunnen staan. Als proefproject voor en opstap naar meer Euregionale samenwerking in andere domeinen kunnen zeker ook de ervaringen dienen die met het project Maastricht-Euregio als Culturele Hoofdstad 2018 opgedaan worden. Vraag de Oosterburen wat Ruhr 2010 hen op het punt van de onderlinge samenhang opgeleverd heeft!
4.Organiserend vermogen als sleutelfactor.
Overheden moeten niet alleen zichzelf tot functioneel organiseren aanzetten, maar ook, bij wijze van kerntaak, er voor zorgen dat er in de (economische) samenleving een maximum aan collectieve actie tot stand komt. Door hier initiatieven te ontplooien en daar de randvoorwaarden te scheppen voor succesvol ondernemen. Beschikken Maastricht en Zuid-Limburg, in de specifieke ‘Europese situatie’ waarin ze zich bevinden, over de institutionele infrastructuur om dat waar te kunnen maken?
Prospectief polderen.
Een eigentijdse omschrijving van wat een economie inhoudt komt van de econoom Hodgson. Hij omschrijft de economie als ‘an open and evolving system, situated in a natural environment, effected by technological changes, and embedded in a broader set of social, cultural, political and power relations’. Bij ‘natural environment’ kan men zich in het geval van onze Euregio van alles voorstellen, maar het is met name het tweede deel van de definitie van Hodgson dat ons bezig zal moeten houden. De economie (van een land of van een regio) komt meer of minder tot ontwikkeling naar gelang de gegeven sociale, culturele en politieke omstandigheden en maatschappelijke krachtsverhoudingen dit bevorderen dan wel afremmen. De tegenstellingen tussen economie en milieu, overheid en markt, werkgeven en werknemen, dorp en stad, enz. leiden tot de noodzaak van het uitonderhandelen van arrangementen tussen de betrokken partijen met het doel die tegenstellingen te overbruggen. Het ene arrangement is daarbij het andere niet. Een voorspoedige ontwikkeling van de economie is het meest gediend bij het zogenaamde prospectieve arrangement, dat is een 'deal' met veel interactie tussen de betrokkenen en met een gemeenschappelijke focus. Zo’n arrangement kan uitgroeien tot een heuse groeicoalitie. Daarvan is sprake wanneer er een groep gemotiveerde actoren aanwezig is die er een gedeelde visie op na houdt, in dit geval de na te streven toekomst van de Euregio, en die daarvoor algemene weerklank en draagvlak vindt bij de bevolking en bij de eigen en anderszins betrokken beleidsmakers. Andere arrangementen, zoals het ‘non-coöperatieve arrangement’, het ‘onderhandelingsarrangement’ en het ‘verzonken arrangement’ dragen alle (veel) minder bij aan de ontwikkeling van een economie, omdat ze óf gemeenschappelijke focus, óf dynamiek, óf beide ontberen. Helaas, te vaak, nagenoeg altijd eigenlijk, zijn partijen er vooral op uit hun eigen belangen veilig te stellen: het niet zelden onproductieve onderhandelingsarrangement viert hoogtij. Ook, laat zich vermoeden, in Zuid-Limburg, in de onderlinge verhoudingen tussen de Zuid-Limburgse gemeenten. (Het in 1982 afgesloten Akkoord van Wassenaar laat zich in deze context duiden als een voorbeeld van een uiterst prospectief arrangement, omdat alle betrokkenen zich achter de gemeenschappelijke hogere doelstelling schaarden -de economie uit het slop halen- en daartoe ook bereid waren in te leveren. In het heden vragen o.a. -heel dringend- de krimpsituatie in Zuid-Limburg/Parkstad en -heel spoedig- de oprichting van de ‘Verenigde Euregionale Republiek’ om een vergelijkbare inzet en opstelling van de direct betrokkenen).
EDB: georganiseerde stuwkracht.
De vergroting van de slagvaardigheid van het overheidsbestuur zou gediend zijn met een vorm van ‘extra beademing van bovenaf’, waardoor bijvoorbeeld ook voor het College van B&W meer handelingsvrijheid en experimenteerruimte ontstaat. De gemeente wordt immers door zo’n constructie gelegitimeerd in meer of mindere mate ‘mee te gaan’ met de ideeën van de externe partners in business. Het is niet de eerste keer dat we met het voorstel komen tot het in- en oprichten van een Economic Development Board zoals steden als Rotterdam, Amsterdam en Utrecht die al kennen. We herhalen hier de tekst uit een eerdere aanbeveling: de toekomst van Maastricht/Zuid-Limburg mag niet alleen meer overgelaten worden aan de bestuurders van gemeentes en van de provincie. Er dient, vanuit een maximum aantal aanleverpunten, zo veel mogelijk denkvermogen en creativiteit losgeweekt en met elkaar verbonden te worden. De relatie Universiteit en stadsbestuur bijvoorbeeld oogt op dit moment te afstandelijk. Doodzonde en wellicht zelfs verwijtbaar, omdat een enge samenwerking tussen de gemeente en de universiteit als goed voorbeeld uitstekend van pas zou zijn gekomen. (Vergelijk: promotieonderzoek M. Nijdam over ‘Leader Firms’). Het wordt de kunst een brede samenwerkingsformule te vinden waaraan niemand kan of wil ontsnappen en waarin ook de Etil’s en Liof’s en de ondernemersorganisaties (LWV en andere) in een inspirerend en groter samenwerkingsverband kunnen opereren. Een ontmoetingsplek derhalve voor top-down en bottom-up gedachten en initiatieven. Op die plek kan dan ook de autoriteit ontstaan voor het opstellen en afwerken van een programma/agenda voor de lange(re) termijn. Institutioneel Maastricht revisited! Kan zoiets? Jawel, kijk naar een aantal andere gemeenten waar deze formule (deels) al operationeel is. Maar dan moeten we wel serieus aan het ‘kwartier maken’ gaan: een ‘probleemeigenaar’ aanwijzen, een duidelijke opdracht formuleren, een scherpe foto maken van de Limburgse economische geografie, de goede bestuurders vinden, een stevig dagelijks management neerzetten, de competentieverdeling met andere organisaties uitlijnen, enz.
Ergo: gemeentelijk en provinciaal leiderschap wordt sterker en geloofwaardiger wanneer het in coalitieverband met het bedrijfsleven kan worden opgetuigd en andersom worden de bestuurders van onderwijsinstellingen, instituten en bedrijven, in deze constructie, en passant opgevoed in het nemen van meer maatschappelijke verantwoordelijkheid.
PM. Wanneer die vormgeving- een vanuit de verschillende organisaties te bemannen economic development board of vergelijkbaars er niet in zit- kan altijd nog op de zogenaamde conventievorm worden teruggevallen. Zo’n ‘conventie’ houdt in wezen het tijdelijk uitplaatsen van de aanpak van een probleem in. Een prima benadering, wanneer je in eigen kring de analyse van de werkelijkheid, al of niet uit tijdgebrek, niet rond krijgt, of wanneer er ordening aangebracht moet worden in de aanpak van een ingewikkeld en/of urgent probleem. Het bijzondere van de methode is dat de gevestigde orde uit eigen vrije wil, en vaak ook omdat men zelf even uitgedacht is, aan de zijlijn gaat staan en het tijdelijk aan anderen overlaat met een ‘plan de campagne’ te komen. Een plan dat aan ‘empowerment’ zou kunnen winnen, wanneer tot het instellen van zogenaamde, per nagestreefd deeldoel op te zetten, regelkringen wordt overgegaan.
Smart governance.
Weten we nu genoeg om meer specifiek naar de Maastrichtse/Zuid-Limburgse situatie te kunnen kijken. Het lijkt er op. Zuid-Limburg kent een lange traditie van het gezamenlijk dingen in elkaar steken of wellicht eerder nog langs elkaar steken. Jongste loot aan de boom Margraten en Eijsden die één gemeente werden om maar buiten het bereik van de Gemeente Maastricht te blijven. Wanneer dat waar is, hebben we hier, in het huidige tijdsgewricht, met een hinderlijke ‘evenwichtstoornis’ bij de betrokken bestuurders te doen. Er zijn wellicht te veel met elkaar concurrerende VVV’s in het Limburgse aan het werk, de Kamer van Koophandel kent een opgesplitste structuur, lastig maar wel logisch gezien de driedeling van Limburg. De relatie tussen het LIOF en het onlangs door een adviesbureau overgenomen ETIL met - in brede zin - de besturende organisaties komt niet helder over. De strategische verknoping van de Universiteit met de stad Maastricht v.v. kan veel beter. In het economische/politieke Zuid-Limburgse landschap is er, zo lijkt het, geen belangenbehartigend ‘power house’ te vinden dat voor ‘checks and balances’ in de omgang met de provinciale en lokale overheden kan zorgen. (Zie o.a. op hun website het uitgebreide activiteitenpakket van de IHK en het AGIT in Aken om te begrijpen wat hier bedoeld wordt). In wezen werd er door de jaren heen een traditioneel overkomende overlegstructuur opgebouwd met nogal wat losse einden en dito eigen(on?)wijs gedrag. Bedrijfsleven en overheid doen er goed aan zich, via co-productie-, co-partner- en co-designships, vaster aan elkaar te verbinden, om op die manier meer Euregionale massa en een nieuwe omgevingsdynamiek te bewerkstelligen. Ook hier zou een Economic Development Board zijn nut kunnen hebben. Organisatorisch meesterschap en ‘smart governance’ in de ‘smart region’ Zuid-Limburg.
5.Productief innoveren.
Innoveren, het is een heus hedendaags modewoord. Er loopt in dit domein dan ook zo het een en ander. En wijzer over hoe innoveren het meeste resultaat oplevert, worden we ook. Innoveren ‘van boven af’ werd door de vorige kabinetten ‘geadoreerd’: de agenda 2000 van het Kabinet Kok, de ICES/KIS-aanpak van het eerste kabinet Balkende en daarna het Innovatieplatform onder de laatste kabinetten Balkenende. In feite gaat het hier om het verhangen van naambordjes. Tevens speelde in deze periode de oprichting van een aantal economische topinstituten door, destijds, minister Wijers, o.a. in domeinen als telematica en biotechnologie. Vandaag stellen we vast dat zowel het innovatieplatform als genoemde topinstituten te weinig teweeg gebracht hebben. Wie heeft het er nog over? Oud secretaris Nauta van het Innovatieplatform is onlangs in een interview in de Volkskrant hard in zijn conclusies: ´Mooie voornemens bleken niet bestand tegen de weerbarstige werkelijkheid´……... en: ´Er lijkt geen enkele visie te zijn op hoe het dan wel moet: innovatie aanjagen´. Blijkbaar trekt ook het huidige kabinet zich dit aan, gezien de onlangs gepresenteerde bijgestelde aanpak voor meer daadwerkelijke samenwerking tussen onderzoek, ondernemen en overheid in een 9-tal geselecteerde sectoren: van de logistiek tot food and nutrition, high tech materials en life sciences. Weer een nieuw naambordje of hebben we echt bijgeleerd?
Innovatie bottom-up.
Hoe dan ook, de meeste innovatie vindt nog altijd van onderop plaats. In dit ‘traject’ zijn de resultaten bemoedigend te noemen. In onze regio, waar DSM afscheid nam van de basischemie en zich specialiseerde in bijzondere producten; idem in Rotterdam waar Shell, naast de olieraffinaderij, een veertigtal chemische fabrieken ‘on line’ houdt. Albert Hein die in zijn distributiesysteem per jaar een paar % efficiencywinst boekt: over een periode van 10 jaar gemeten gaat het hier dus om tientallen procenten. De Mosa in Maastricht, die zich door innovatie in de productie en in de markttoegang op een hele aansprekende manier staande heeft weten te houden, enz., enz. De oplettende waarnemer zal ook in Limburg veel van dit type bottom-up innovatie tegenkomen. Een vitaal bedrijfsleven blijkt net zo nuttig voor de kennisontwikkeling als andersom. Heel recent is het DSM/UM project life sciences in het nieuws gekomen. (Zie: Consortium Chemelot Campus, Masterplan 2010-2020 van januari 2011). Een mooi initiatief met veel extra plussen: er wordt aan clustering van activiteiten gedaan. Veel spin-offs dus. Daarnaast zorgt co-siting in dit project voor de fysieke nabijheid van de diverse betrokkenen en de Universiteit Maastricht voor kennisinput en researchcapaciteit vanaf de zijkant. Dat doet de RWTH Aken overigens ook bij een mobiliteitsproject (ontwerp elektrische streetscooter) waar o.a. NedCar mee bezig is.
Maar toch, het is voor het Zuid-Limburgse deel van Brainport 2020 oppassen dat het geen blazen uit een hol gat wordt. Zuid-Limburg is nog lang geen Aken - het ontwerp voor de 150 voetbalvelden grote Campus daar al gezien? - of Eindhoven. Er is mogelijk sprake van te weinig adoptieve massa. Zoveel DSM-en en Mosa’s zijn er niet in Zuid-Limburg en de dienstverleningssector, een andere potentiële innovatiedriver en -enabler, heeft er slechts een beperkte ontwikkeling doorgemaakt. Lange termijn geduld en oog voor kleine stappen voorwaarts zullen in ieder geval onmisbaar zijn. Alsook het vergroten van de Zuid-Limburgse actieradius via opschalen naar de Euregio. Dan kan er wellicht ook een keuze voor het aanhaken op de ‘Duitse route’ ontstaan, waarbij ook een herkansing voor de Limburgse maakindustrie in beeld kan komen.
Universiteit met een ziel.
De rol die de universiteit kan spelen behoeft een nadere toelichting: een universiteit met hersens is niet voldoende; ze behoort ook een ziel te hebben. Hopelijk staan we voor de erkenning dat vooral ook toegepaste wetenschap een grotere universitaire toekomst verdient. Puur wetenschappelijke publicaties aanmaken; het mag en moet. Maar de ondernemende samenleving doen vibreren is een minstens zo dankbare, aansprekende en vooral ook noodzakelijke opgave voor elke universiteit. Toegepaste wetenschap dus, via een aantrekkelijk studieprofiel voor aankomende studenten. Via een verrijkende wetenschappelijke input vanuit vele aanvoerlijnen, ook vanuit het bedrijfsleven. Via een gezamenlijk met het bedrijfsleven op te stellen onderzoeksagenda. Via verbindingstrajecten met andere regionale (wetenschappelijke) instituten. Via profilering van actuele issues in promotieonderzoek. Via vooral een praktisch intelligente aanpak dus, die ook het lokale bedrijfsleven en de lokale overheidsector meer op gang helpt. Het zou helpen wanneer ook de UM zichzelf zou uitrusten met een ‘departement regional economics’, zoals andere universiteiten dat ook hebben.
Knowledge circle: een Stichting Kennisinfrastructuur Zuid-Limburg?
In dit verband is er tevens behoefte aan het verhogen van de collectieve intelligentie van de regio. Aan ‘werknemen’ in de 21e eeuw worden nogal wat bijzondere eisen gesteld. Dat heeft alles te maken met de markt- en maatschappelijke omgeving waarin bedrijven opereren. Die omgeving is veranderd van redelijk stabiel in de vorige eeuw naar turbulent in de huidige gemondialiseerde economie. Re-engineering van werkprocessen; strategische heroriëntaties, fusies/overnames/allianties: ze zijn aan de orde van de dag. Kostenbeheersingprocessen, kwaliteitverbeteringsprogramma’s en productontwikkeling; het is allemaal dagelijkse bedrijfskost geworden. Dit alles vergt de inzet van ‘montere en wakkere’ medewerkers, die dat alleen kunnen zijn wanneer ze zich aan life-long learning onderwerpen. Met het instellen van een zowel aan de onderwijsinstellingen, Hogeschool Zuyd/Fontys en andere scholen in het beroepsonderwijs, als aan het bedrijfsleven gelieerde - en bijvoorbeeld in een stichtingsstructuur verankerde - ‘knowledge circle’, zou hier wellicht met meer impact geopereerd kunnen worden. Voornaamste opgave: het bewerkstelligen van onderlinge kennistransfer en kennisdeling.
Proces- en mentaliteitsinnovatie.
De omschrijving van het begrip innovatie is daarmee nog niet afgerond; er blijken, naast de productinnovatie, nog meer aspecten aan de orde. Een belangrijke rol valt daarbij de proces- en mentaliteitsinnovatie toe. Dat ieder productieproces belang heeft bij innovatieve toepassingen is helder, maar dat ook het verbeteren van het proces van ‘het met elkaar verkeren‘ uiterst productief kan zijn, komt naar voren in bijvoorbeeld het oprichten van instituten waar (inter)disciplinair samengewerkt wordt. Onder de paragraaf ‘Organiserend vermogen’ is het met name ook dit aspect dat aandacht krijgt in het voorstel voor het oprichten van een Economic Development Board of vergelijkbaars. Tenslotte is er, in de hier gegeven analyse, dan nog het aspect van de ‘mental-map’-innovatie. Wanneer het om innovatie gaat, misschien wel het allerbelangrijkste aspect. Omdat verandering immers het besef (‘awareness’) veronderstelt dat die verandering nodig is. Mental shift dus, maar bij wie? Bij de burgers o.a., maar dit op eigen initiatief van de burgers verwachten is te veel gevraagd, daarvoor is de wereld voor hen te weinig inzichtelijk. Dus ook hier is leiderschap gewenst, liefst collectief. We gaan hier op dit thema niet verder in; het punt kwam al voldoende aan bod in o.a. de Mestreechter Geis-context en bij het pleidooi voor meer assertiviteit in Us sjoen Limburg.
6. Ontslakken ter wille van een kansrijkere regelgeving.
Met het aannemen van de Crisis en Herstelwet nog niet zo lang geleden toont de nationale overheid eindelijk daadkracht bij het bestrijden van de zo langzamerhand verlammende regelgeving. Al langer lopende pogingen in dit domein zoals MDW-actie (marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit) bleken niet erg succesvol. Nederland en Europa lijden aan een soort surmenagesyndroom. Surmenage staat hier voor overspannen handelen en syndroom voor het dwangmatige karakter daarvan. Het aantal en de aard van de te besturen en te beheren variabelen in onze hedendaagse samenleving is uitermate omvangrijk en complex geworden. Lag vroeger de nadruk voor de politiek op het inrichten van een efficiëntere manier van samenleven, bijvoorbeeld door het aanleggen van veel nieuwe infrastructuur en het optuigen van onderwijs- en gezondheidszorgsystemen, tegenwoordig gaat het meer over het ‘masseren’ van de manier van samenleven. Ervoor zorgen dat die samenleving zo soepel mogelijk zijn gang kan gaan. En uitgerekend bij dat ‘masseren’ gaat er veel mis; in de ‘systeemwerelden’ van het onderwijs, de gezondheidszorg, de criminaliteitsbestrijding, de ruimtelijke ordening enz. lijken we in een permanente, door regelgeving en bureaucratie geplaagde, ‘trial and error-situatie’ terecht gekomen te zijn, waarbij het nu weer eens zus moet en dan weer zo. We zijn bezig, zo lijkt het, met het opstellen van regeltjes en lopen intussen het risico dat onze bronnen van welvaart verlamd raken.
In de staalindustrie worden de hoogovens regelmatig van slakken ontdaan, dat is het verwijderen van glasachtig of steenachtig afval van uitgesmolten metaalertsen uit die ovens. Dat moet gebeuren om deze in een optimale ‘staat van dienst’ te houden. Het zou geen kwaad kunnen de Nederlandse regelgevingmachine, die nu al zo lang roodgloeiend wordt gestookt, ook eens grondig te ontslakken. Immers door de manier waarop de zaken nu geregeld zijn, ontstaat er zo langzamerhand een enorme economische (postmoderne) leegloop. Over naar de Euregio, die heeft te maken met regelgeving in drievoud, of zelfs viervoud. Uit Nederland, België, Duitsland én uit EU-Brussel. Dat kan dus onmogelijk goed gaan; meer samenhang en dynamiek in de Euregio wordt hier een vorm van hindernislopen. Ook hier roepen we een beeld met actuele geldigheid op: „Wenn ein deutsches Unternehmen einen Mitarbeiter in den Niederlanden anstellt, stellen sich viele Fragen. Denn unabhängig davon, ob das Unternehmen bereits eine Niederlassung in den Niederlanden hat oder nicht, entstehen für den Arbeitgeber eine Reihe von Pflichten bei der korrekten Abwicklung der Lohnbuchhaltung. Bei der An- und Abmeldung von Arbeitgeber und Arbeitnehmer, bei der Gehaltsabrechnung, den Versicherungen und der Lohnsteuer gibt es starke Abweichungen zwischen den deutschen und den niederländischen Bestimmungen“. Bedrijvenpark Avantis: goodbye forever? Hopelijk niet en het zal zeker helpen wanneer we hier in staat blijken handzamere formules voor dagelijks gebruik te ontwikkelen.
Slotsom: wanneer we de Euregio een faire kans willen geven dan zal deze op het punt van de wet- en regelgeving met nieuwe competenties (new competences) uitgerust moeten worden. Gegeven de, in vergelijking met de doorsnee-Euregio, unieke situering van Zuid-Limburg ‘midden in Europa’ zou ook hier de rol van pilotregio geclaimd moeten worden. Ook hier de verwijzing naar de nota Limburg Experimenteerregio van november 2009. In het licht van de hiervoor geformuleerde doelstelling lijkt het aanneembaar dat deze nota op dit punt lang niet ambitieus genoeg is. Interessant is nog een verwijzing naar het initiatief van de Provincies Noord-Holland, Utrecht en Flevoland voor een eventueel samengaan en in ieder geval voor meer samenwerking. Ook hier gaat het voor een belangrijk deel over het ontwikkelen van nieuwe competenties. Weliswaar in een andere context maar even opmerkelijk is de intentie van de havens van Antwerpen, Rotterdam en Amsterdam om nauwer te gaan samenwerken; het maken van een gezamenlijke vuist ter verdere uitbouw van de Gateway-to-Europe positie van deze havens. Assertief handelen dus; een paar jaar geleden nog een ondenkbare optie. De snel veranderende omgevingssituatie maakt ook daar de geesten blijkbaar soepel.
Een dozijn concrete maatregelen.
Tot slot: uit het voorgaande rolt een aantal ideeën voor concrete actie als het ware vanzelf op tafel:
- Maak, naast allerlei ongetwijfeld al in overheidsdienst aangemaakte rapporten en analyses, gebruik van het voorgaande bij het opstellen van een actuele SWOT-analyse (sterke en zwakke punten, kansen en bedreigingen) voor Maastricht/Zuid-Limburg. Als aanleiding voor zelfreflectie en als bron van inspiratie is zo’n analyse goud waard.
- Leg de Maastrichtenaren uit dat de beste tijd voor de Mestreechter Geis nog komt, wanneer de Maastrichtenaren zichzelf weten op te tillen naar de ‘world class home’ gastvrijheidstatus.
- Bezorg het cultuurgoed een forse upgrade door middel van het Via 2018-traject (Culturele Hoofdstad) en nut dit vooral ook uit ter training van de Euregionale partners in het samenwerkingstraject.
- Maak Duits en Frans tot verplichte taal, mede ter bewerkstelling van een mental shift bij de Maastrichtenaren en met spin-off voor de nationale overheid: we nemen de Euregio bloedserieus.
- Maak van de Universiteit niet alleen een Universiteit met hersens, maar ook een met een ziel. Wijs per faculteit een hoogleraar aan die als lid van een UM-denktank gaat meefilosoferen over de toekomst van Maastricht/Euregio, opdat ook de relatie van de Gemeente Maastricht met de Universiteit Maastricht v.v. meer inhoud en karakter krijgt.
- Bedenk wat Maastricht-regio en Parkstad, stedelijke gebieden met een van elkaar afwijkende structuur, in de omschreven Euregionale context (toch) voor elkaar kunnen betekenen. Is profilering als één vestigingsplaats voor nieuwe activiteiten/bedrijven in de regio een reële optie?
- Organiseer een competitie voor een nieuwe naam voor de Euregio, opdat een ieder zich gemakkelijker met de Euregio kan identificeren. Charlemagne en Mosacité, hebben we al eerder gehoord.
- Ga opnieuw in de weer met de Nota ’Limburg Experimenteerregio’; zorg daarbij voor, breed gedragen, regionale motivatie vooraf en dwing de nationale overheid kleur te bekennen. Bezorg de huidige Euregio Rijn-Maas een soort off-shore status; in de offshore-business is door aangepaste regelgeving veel meer mogelijk dan op het vaste land.
- Nodig ervaringsdeskundigen uit voor toelichting op elders lopende waardevolle initiatieven en constructies, zoals de Economic Development Board Rotterdam en het Department Regional Economics van de Erasmus Universiteit.
- Praat met elkaar over een aan te passen institutionele indeling van de Provincie Limburg; het Limburg van de 3 regio’s. Hoe is ieder van die regio’s het beste af?
- Laat je inspireren door de Duitsers, die er overtuigend in slagen hun maakindustrie overeind te houden en die ook met vele stapjes voorwaarts veel economische massa weten te genereren. (Zie: Technologischen Unternehmungsgründungen, Region Aachen, juni 2010)
- Zet consequent in op de factor ruimtelijke kwaliteit en andere assets ter ‘opmontering’ van het vestigingsklimaat (Zie nota: Limburg, te mooi om waar te zijn?!).
- Bonusvoorstel: Ga laat naar bed en sta vroeg op, zodat niemand meer kan beweren dat er geen tijd is voor nieuwe initiatieven en bedenk minstens nog 1 aan deze lijst toe te voegen actiepunt.
We zijn dit essay begonnen met een motto; we eindigen met een citaat. Van Alain Peyrefitte in zijn boek ‘Du Miracle en Économie’(1995) over de Gouden Eeuw: “Het economische wonder dat zich in het Holland van die tijd voltrok, was geen gevolg van toeval of omstandigheden, maar van een mentale houding: het opvatten van die omstandigheden als een uitdaging”.